Geplaatst in Geen categorie

Talent

download
Ik zit naast Joep.
Aan een tafel die bedekt ligt met tijdschriften.
“We gaan vandaag letters uitknippen”, hoor ik mijn collega uitleggen.
Ze heeft zojuist de tijdschriften en een aantal scharen op tafel gelegd en laat me een voorbeeld op canvas zien.
Letters uit verschillende tijdschriften zijn in woorden op canvas geplakt en dat geeft een erg leuk effect.
Ik kijk Joep aan. “Leuk!,reageer ik en geeft Joep enthousiast een stootje.
Joep is duidelijk minder gecharmeerd van de tijdschriften en pakt vertwijfeld een schaar van de tafel.
Niet veel later kom ik erachter waarom.
Joep is één van de verstandelijk beperkte mensen, waarmee ik sinds kort werk.
Hij kan niet lezen. Ook herkend hij geen letters.En dat maakt deze opdracht voor hem een bijna onmogelijke klus.
“Ik help je, we doen het gewoon samen, oké? bemoedig ik hem.
Joep kijkt me ietwat hulpeloos aan. Joep krijgt de letter C . Dat lijkt me één van de makkelijkste .
Een half rondje , leg ik uit, toe maar….”
Joep bladert gedreven door de magazines en laat mij enthousiast de letter E en G zien.
“Bijna goed!”, stimuleer ik, maar dan zónder pootje”
Joep doet zijn stinkende best en dat ontroerd me.
Want hóe hij ook zijn best dóet, hij vind meer G’s en E’s dan de gevraagde C’s .
En daar is hij, duidelijk zichtbaar , na tien intensieve minuten , behoorlijk klaar mee.
“Nou, ik stop ermee, hoor, bromt hij gefrustreerd en ik kan hem geen ongelijk geven.
Je moet mij ook niet vragen om Chinese tekens te vertalen naar ons Nederlandse alfabet.
Dat zou ik na vijf minuten al opgeven.
“Laat Joep maar gewoon álle letters uitknippen, hoor ik mijn collega vanachter haar bureau,
Ik vind haar idee geniaal.
“Er is straks vast wel iemand die de letters wél kan sorteren”, vervolgd ze.
Ik hoor Joep naast me opgelucht ademhalen. Enthousiast begint hij te knippen.
Soms kan het zo eenvoudig zijn en is de oplossing zo simpel.
Ieder heeft z’n talent en als we samenwerken ontstaan er prachtige dingen.
Je zal straks eens zien hoe mooi ons ‘letter-kunstwerk” word!

Advertenties
Geplaatst in column

De spijker op z’n kop

49bf5d04-5cbd-11e8-aecb-9b0a5d357340_web_scale_0.35_0.35__

Ik hou niet van vliegen.
Niet in de vorm van insecten, maar ook zéker niet in de zin van het reizen met een vliegtuig.
Ik doe het. Maar wél met frisse tegenzin. In de de vertrekhal begint het meestal al.
Dan hoor ik m’n maag vreemde geluidjes maken en bekruipt me een licht misselijk gevoel.
Eenmaal in het vliegtuig, als de vliegtuigdeur dicht gaat, voel ik me opgesloten en dan begint de ellende.
Ik lijk voor mijn omgeving dan weliswaar redelijk ontspannen, maar in werkelijkheid zit ik dan finaal verkrampt in m’n stoel.
Met het zweet in m’n handpalmen en het kippenvel op m’n rug. Stilletjes te bidden dat het vliegtuig maar blijft hangen.
Maar omdat je nu eenmaal niet met de fiets of te voet naar verre bestemmingen kan, spreek ik mezelf op zulke momenten ernstig toe.
Dat het niet anders kan. Dat het léuk is. Dat het nu eenmaal veel te lang duurt als je dat hele eind moet lopen En dat ik niet moet zeuren.
En dat helpt. Nouja, een beetje dan. Maar vorig jaar gebeurde er iets ,waardoor ik tegenwoordig ineens heel anders naar dat vliegen ben gaan kijken.
Beter gezegd: Vorig jaar ben ik me er meer dan ooit bewust van geworden dat je altijd kwestbaar bent. Waar je ook bent.
Of je nu met beide voeten op deze aardbol staat of overgeleverd bent aan een piloot en machteloos in de lucht hangt.
Dat kwam namelijk zo:

Lief en ik hadden een heerlijke vakantie in Griekenland achter de rug en vlogen die avond terug naar Nederland.
Eenmaal geland was ik dolblij om weer veilig op mijn vertrouwde Nederlandse bodem te staan.
Met een blij zongebruind gezicht sleepten we onze koffers van de bagageband.
“Volgens mij moeten we die kant op”, zei Lief en wees naar een bordje met ‘pendelbussen’
In het donker liepen we naar de bushalte , waar niet veel later een busje ons naar de parkeerplaats voor ‘lang parkeren’ bracht.
Daar stond m’n autootje. Die de hele vakantie trouw op ons had gewacht om ons nu weer snel naar huis brengen. Dacht ik.
Het lot besloot anders.
Moe, maar voldaan van de mooie dagen op het Grieks eiland staptten we in de auto.
Lief ging achter het stuur, ik ernaast.
Op de navigatie toetsten we onze thuisbestemming in en reden de nacht in.
Maar vér kwamen we niet.
We waren nog geen tien minuten onderweg of de navigatie leidde ons van de rijweg af naar een hobbelig terrein.
“Huh? Dat klopt niet hoor “, hoorde ik naast me. Lief boog zich iets voorover en leunde op zijn stuur.
“Ik zie ook niks in dat donker…. ”
Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en keek turend door de ruit.
“Volgens mij zitten we hier gewoon op een bouwterrein, joh”, zei hij verbaasd, we moeten toch gewoon een autoweg hebben.”
Lief keek nog eens op de navigatie en zette de auto in z’n achteruit om rechts om te keren.
Ietwat geirriteerd gaf hij gas, reed over een soort zandhobbel en toen gebeurde het.
Ineens hoorde we een flink gerommel onder de auto en ik keek met een angstige blik opzij.
“Oe..dat klinkt niet goed, reageerde ik geschrokken, wat is dit?”
Naast me hoorde ik een diepe zucht. “O néé hé?! …da’s een lekker band!”,bromde Lief
Ik trok m’n wenkbrauwen op. Nee tóch? Een lekke band? Dát konden we niet gebruiken!
En al hélemaal niet na een lange nacht in een vliegtuig.
Het enige wat ik wilde was m’n bed.
“En nú?, vroeg ik.
Lief reed langzaam door.
“Ik probeer even een autoweg te vinden, zei hij kort, hier op dat bouwterrein kunnen we niet blijven, veel te dónker!”
Hij wees naar de dichtsbijzijnste lantaarnpaal die zo’n vijftig meter verder stond.
“Volgens mij is daar een hotel…ik ga proberen of ik de auto daar nog naartoe kan rijden”.
Voorzichtig, maar met een verschrikkelijk geluid parkeerde hij niet veel later de auto onder de lantaarnpaal bij de ingang van het hotel.
In de auto was het even een paar seconde stil.
“Nou, dan moeten we de Wegenwacht maar bellen, onderbrak ik de stilte.
Lief schudde zijn hoofd.
“Ik ga het eerst zélf proberen, schat”, zei hij, die Wegenwacht duurt veel te lang.”
Hij opende de kofferbank en haalde in het schemer de reserveband tevoorschijn.
“Nu alleen nog een krik.., zei hij, waar ligt ‘tie in jouw auto? ”
Ik haalde m’n schouders op, want ik had werkelijk geen idee waar de krik lag en hoe het ding er uberhaupt uit moest zien.
Oké, ik had een vaste plek voor mijn CD-tjes, m’n ijskrabber en m’n autodropjes. Maar een krik?
Hulpeloos keek ik Lief aan en dook toen met mij hoofd in de kofferbak.
‘Is dit ‘m soms, zei ik, terwijl ik hem wees op iets van metaal aan de zijkant van de ruimte.
“Jah!” In het donker zag ik Lief zijn ogen oplichten. “Dat is ‘m ! ”
Vakkundig ging Lief te werk. Met het lampje van m’n telefoon scheen ik wat licht op zijn handen en ik zag vol trots hoe hij
in het pikkedonker met zijn stoere mannenarmen m’n autootje een stukje opkrikktte.
En binnen nog geen half uur de reserveband onder de auto monteerde.
“Kijk, zei Lief , toen hij weer uit zijn hurkhouding omhoog kwam, een spijker…” Ik keek naar het kollosale ding in zijn handen.
Het leek wel een spijker uit de Mideleeuwen. Zo’n héle grote. “Tjoh..,was het enige wat ik kon uitbrengen.
“En dan nu naar huis…”, zei Lief en gooide de kapotte band in de kofferbak.
Opgelucht staptte hij achter het stuur en zette de auto weer in beweging.
“Je bent m’n held! “,zei ik ,toen we weer een stukje op weg waren. Lief glimlachtte flauwtjes.
“We zijn nog niet thuis!”, zei hij nuchter en gaf me een knipoog.
Ik keek dromerig door het raam naar buiten. Het was donker en er was weinig verkeer op de weg.
En ik wist weer even dat niks vanzelfsprekend is.
Dat er elke dag weer verrassingen komen in je leven. Léuke en minder leuke.
Verrassingen, die je zélf van te voren nooit had bedacht. Maar waar je mee mag stoeien.
Die dag was de onaangename verrassing: de lekke band.
Maar daarentegen was het een fijn positief gegeven dat ik een held bij me had!
En wat voor één !

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in column

Eérlijk duurt het langst!

nee

Ik hou van eten. Daar maak ik geen geheim van.
En ik eet niet alleen zoals heel veel mensen alleen uitsluitend uit praktische overweging omdat ik honger heb.
Nee, ik vind het naast de nuttige brandstof voor m’n lichaam vooral ook heel gezellig.
Zo kan ik een extreem gelukzalig gevoel krijgen van een bord stamppot met worst of een lekkere ovenschotel.
En zeg nou zelf, koffie mét een koekje is toch veel gezelliger dan zónder?
Je zou het bijna een hobby van me kunnen noemen. Met een akelige consequentie . Dat wél.
Want van hobby’s als computerspelletjes spelen, extreem sporten of legpuzzels maken krijg je geen stevige dijen en een onderkin.
Maar hoe ik ook mijn best doe, van al die dingen word ik niet echt blij. Van gezellig eten destemeer.
Dus neem ik die dikke dijen en die onderkin op de koop toe.
Maar dat mijn hobby, buiten die dikke dijen nog meer consequenties heeft werd me laatst pijnlijk duidelijk, toen ik voor
een kijkoperatie van m’n buik naar het ziekenhuis moest.
Een week van te voren viel er een grote witte envelop op deurmat met het logo van het ziekenhuis en mijn naam.
Nieuwsgierig ritste ik de envelop open en las aandachtig de brief.
In de brief stond belangrijke informatie over de operatie, het tijdstip en de afdeling waar ik die dag welkom was.
En als laatste, helemaal onderaan stond met vetgedrukte letters én onderstreept ‘U dient nuchter te komen’
Toen ik dat las werd ik een beetje onrustig. Ik hou namelijk niet van nuchter.
Als ik ‘sochtends wakker word , wil ik na het douchen meteen ‘ brandstof ik m’n tank gooien’
Waardoor m’n motor start en ik in beweging kom.
Na het eten van een bak yoghurt en een banaan heb ik het idee dat ik weer lééf. En anders niet.
Dan lijkt het of ik stil sta met motorpech en niet vooruit kom.. Zoiets.
“Doe normaal, zegt Lief dan, je hebt tóch je reserves”. En hij schud dan meewarig zijn hoofd. Over nuchter gesproken!
Hij kent dat gevoel van brandstof en een lege tank niet en fronst zijn wenkbrauwen als ik praat over een lage bloedsuikerspiegel.
Typisch vrouwendingentje, denk ik dan maar.
Maar het mócht niet. Een gezellig ontbijtje voor de operatie. Van de zusters. En da’s best een dingetje voor mij.
Dat verplichtte vasten voor een ochtendje voor het goede doel. Noem het gerust een beproeving!

Dus die bewuste ochtend zaten we aan het ontbijt.
Lief met zijn schaaltje yoghurt en een cracker met kaas.
En ik, zónder bord, met voor mij een klein glaasje water.
Het enige wat er in m’n maag zat waren de zenuwen en ik keek chagerijnig naar de overkant van de tafel waar Lief met smaak
zijn schaaltje yoghurt leeg lepelde.
“Mag ik één lepeltje yoghurt van jou? “,smeekte ik op mijn allerliefst.
Lief schudde zijn hoofd. “Doe het nou niet , dat mág tóch niet “, zei hij streng.
“Gewoon één lepeltje, dat kan bést..”, negeerde ik zijn strenge blik.
Ik liep naar de keuken, pakte een theelepeltje uit de bestekla en nam een hapje van zijn yoghurt.
Meteen voelde ik dat ik groot applaus kreeg van de mannetjes in m’n maag.
Die me uiteraard erg dankbaar waren, want nu konden zij weer aan ’t werk.

In de steriele ziekenhuiskamer stond ze voor ons.
Een tenger verpleegstertje met een dikke vlecht en dito map.
“Voor we u straks gaan opereren neem ik nog even wat vragen met u door, zei ze vriendelijk.
Het was een lijst met zo’n twintig vragen en ik was net trots dat ik ze allemaal bevestigend kon antwoorden toen die ene vraag kwam:
“U bent tóch nuchter, hé?”, zei ze en ze keek vragend mijn kant op.
Ik kniktte voorzichtig, maar voelde me een leugenaar.
“Altijd eerlijk zijn, druktte mijn moeder vroeger op m’n hart, dat duurt het langst!”
Haar tekst galmde op dat moment in m’n oren. En dus besloot ik met lichte schroom haar de waarheid te vertellen.
Schuldbewust haalde ik mijn schouders op. “Nou ja, zei ik zachtjes, één theelepeltje yoghurt dan…”
Het zustertje keek me aan alsof ik haar zojuist had bekend dat ik een moord had gepleegd.
“Een theelepeltje yoghurt??, reageerde ze geschrokken. Ze lag haar map neer en het was even stil.
“Een theelepeltje maar, hoor, probeerde ik haar nog gerust te stellen, maar het hielp niet .
“U moet écht nuchter zijn, zei ze. Ze bladerde zenuwachtig in haar map.
“Ik moet echt even de operatiekamer hiervan op de hoogte brengen”.
Verbijsterd zat ik in mijn stoel en keek met een schalkse blik naar Lief.
“Ik zei het tóch! ,sistte hij. Beschaamd keek ik naar beneden.
Nou, dat eerlijkheid heel lang kan duren, daar had mama geen woord aan gelogen!
Voor mijn gevoel had het zustertje het hele ziekenhuis ingelicht over mijn wandaden, toen ze terug kwam.
En dat was niet het enige.
“We moeten u operatie verschuiven, zei ze, tot dat de yoghurt uit uw maag is verdwenen”
De annestesist wil geen risico nemen. U mag hier nog zes uur wachten, we gooien het schema om”
Ik sliktte. Zes uur? Voor één theelepeltje yoghurt? Dit kon niet waar zijn!
Ik wist dat mijn verbrandingssysteem niet zo snel werkt als ik zou wensen, maar zes uur voor één theelepeltje?
“Ga jij maar naar huis, zei ik tegen Lief, toen de zuster haar verhaal had gedaan, ik bel je wel als ik weer op de kamer ben”
Tenslotte kon ik hem na mijn overtreding, ook niet zes uur lang naast me opsluiten in een koude ziekenhuiskamer.
En terwijl ik Lief zag verdwijnen uit de kamer voelde ik me een loser. Wat had ik gedaan?
En waarom had ik mijn overtreding gewoon niet verzwegen?
Nu zat ik nog zes uur langer opgesloten in een koude steriele kamer met een lege maag!
Maar hoe oneerlijk het ook leek, het was m’n eigen schuld.
Ik had de regels overtreden. Omdat ik te nuchter nadacht ,maar niet nuchter wás.
En daar moest ik voor boeten. En flink óók.

Na zes lange uren wachten én een operatie lag ik uiteindelijk weer in de kamer.
“Ben je een beetje wakker? “, hoorde ik een stem.
Het was hetzelfde zustertje. Ze wreef zachtjes over m’n wang.
“De operatie is geslaagd, hoor, zei ze lief
Ik keek haar duf aan en zuchtte. “Ik voel me misselijk, zei ik en sloot m’n ogen.
M’n lichaam voelde slap en het felle licht in de ziekenhuiskamer deed pijn aan m’n ogen.
“Ik haal wel even een bakje”, zei ze en ze wilde weg lopen.
“Ik wil liever wat eten, eigenlijk” zei ik, en trok zachtjes aan haar schort terwijl ik haar wazig aankeek.
Ik hoefde niet te braken, ik wilde gewoon eten! Dan zou ik zo weer de oude zijn.
Het zustertje knikte. ” Ik zal een beschuitje jam voor je brengen”, beloofde ze.
En geloof het of niet, na dat beschuitje begon ik weer te leven.
Ik ging voorzichtig rechtop zitten en keek recht in het bezorgde gezicht van m’n overbuurvrouw.
“Gaat het een beetje,kind ? “klonk het van de overkant.
Ik kniktte.”Steeds beter!”, stelde ik haar gerust.
“Je krijgt gelukkig weer meer kleur op je wangen, schelde haar stem, je zág daarstraks net zo wit als je laken.”
Ik glimlachtte flauwtjes.
Na een tijdje kwam het zustertje vragen of ze Lief mocht bellen om mij te komen halen.
“Graag, zei ik bijna smekend.
Ik wilde naar huis. Wég uit dat nare ziekenhuis. Gewoon naar m’n eigen omgeving.
Waar warme koffie was en waar ik wél gewoon mocht eten.
Om daarna weer heel snel op te knappen.

Geplaatst in column

Prettig Parkeren

atos
We delen een carpoort met de buren.En da’s fijn.Voor mijn man en de buurman dan.
Hun auto’s staan altijd keurig geparkeerd onder een afdak. Beschut tegen weer en wind.
Ik daarentegen ben de Sjaak..of zo je wilt de Sjakelien in het verhaal.
Mijn kleine grijze rakker moet om praktische redenen namelijk vaak ergens anders geparkeerd worden.
In één van de zeven parkeervakken aan het eind van de straat.
Dit, omdat mijn man en ik wisselende diensten draaien, dus op verschillende tijdstippen vertrekken en thuis komen.
En ik daardoor anders simpelweg de weg versper voor Lief en andersom , als ik mijn auto voor de zijne parkeer.
Enfin, da’s op zich geen punt. Dat wil zeggen: áls het lekker weer is.
Dan hoor je mij niet moeilijk doen over frisse buitenlucht en een paar extra stappen.
Echter,in de winter, als het vijf graden vriest word het een heel ánder verhaal.
Dan sta ik ’s ochtends in het donker héél zielig, met ijskoude vingertoppen mijn ruiten te krabben.
Terwijl Mijn Meneer , als hij moet werken fluitend zijn bolide start.
Zonder enige irritatie van ijsbloemen. Én met heerlijk warme handen.

Maar laatst leek daar verandering in te komen toen de buurman op een middag naar ons toe kwam lopen.
Samen met zijn vrouw had hij een leuk zomerhuisje gekocht in het Limburgse land.
Op een idilysch plekje ,vlakbij het water.
Hij vertelde dat ze er zo vaak als ze wilden, konden verblijven en hij bood ons aan, dat wanneer hij en zijn vrouw in dat huisje zaten ,
ik mijn auto gewoon op zijn plek mocht parkeren.
Deels om mij te plezieren, deels om hun huis bewoonbaar te laten kijken voor ongenode gasten.
Nou, dat vond ik symphatiek! Twee vliegen in één klap en súperhandig voor mij.
Vanaf die tijd parkeerde ik regelmatig mijn auto op zijn plek.
In het begin een beetje vreemd, maar al snel genoot ik van het feit dat we tijdens hun afwezigheid een ruime parkeergelegenheid
naast ons huis hadden.
Sterker nog: ik ging er bijna naar uit kijken dat ze weer gíngen!
Zodra de rolluiken naar beneden gingen, maakte mijn hart een sprongetje.
Want de rolluiken dicht betekende: buren weg, dus extra parkeeruimte.
M’n Lief zag al snel een ritme komen in hun vertrek. Ik niet. Dus parkeerde ik mijn autootje keurig op de parkeerplaats.
“Parkeer je auto gewoon lekker bij de buurman, sprak Lief toen ik m’n auto weer eens in één van de parkeervakken reed.
“Ze zijn tóch weg….kijk máar de rolluiken zijn naar beneden…”
Ik haalde mijn schouders op..
“Kweenie…zometeen komen ze alweer terug en dan staat mijn auto dáár!”, sprak mijn nimmer in de steek latende voorgevoel.
Lief schudde zijn hoofd.
“Daar hoef je niet bang voor te zijn, ze komen altijd pas op zondagavond thuis,overtuigde hij mij…écht!”
Nadat ik die middag de weekendboodschappen had gedaan besloot ik Lief zijn advies ter harte te nemen en
mijn autootje naast die van hem te parkeren.

Lief had avonddienst en ik besloot er een heerlijke me-time avond van te maken.
Nadat ik gegeten had sloot ik me op in de badkamer voor een heerlijk gezichtsmaskertje en een uitgebreide haarwas-sessie.
Toen de deurbel ging. Dat is vast collecte , dacht ik, terwijl ik het maskertje over mijn gezicht verdeelde.
Ik besloot dat niets of niemand mijn verwen-uurtje af kon pakken en negeerde de bel.
Maar dat duurde niet lang of ik hoorde hem weer. Nu harder en langer.
Ik keek in de spiegel van de badkamer en begon tegen m’n evenbeeld te praten:
‘Is collecte, fluisterde ik zachtjes..niks aan de hand, gaan vanzelf weg..”
Maar tóen ging de bel weer en nu nóg indringerder.
En toen wist ik dat er écht iets moest zijn.
Iets waar ik héél hard bij nodig was en wel méteen.
Ik kreeg meteen de meest enge scenarios voor ogen van bebloede mensen die, in mijn altijd zo rustige straatje,
waren beroofd van hun portemonnee en nu dringend mijn hulp nodig hadden.
Of van mijn zwager die, rillend in zijn joggingpak op blote voeten voor mijn deur stond, omdat ‘tie zichzelf per ongeluk buiten gesloten had.
Ik spoelde het masker van m’n gezicht, schoot in het eerste beste kledingstuk wat naast mij lag en rende naar beneden.
Even aarzelde ik nog, omdat het aardedonker was, maar toen maakte ik de deur open.
En wie stond er voor de deur? De buurvrouw! Ja,precies: de buurvrouw!
Ze hoefde niks te zeggen, want toen ik haar gezicht zag wist ik het meteen. Mijn auto!
“M’n a..auto,stamelde ik..sorry ..ik dacht..”
Ik gritste mijn autosleutels van de kapstok, vloog naar buiten en wist niet hoe snel ik m’n auto weg moest rijden.
De ronkende motor in wachtstand van de buurman klonk als een mitrieur.
Beschaamd reed ik mijn auto naar één van de parkeervakken aan het eind van de straat.
En boos sistte ik tegen de spiegeling van mijn evenbeeld in de voorruit: “Zie je wel!”
Met mijn hoofd gebogen liep ik terug naar m’n voordeur.
Daar stonden buuf en buurman hun koffers nog uit de kofferbak te halen.
“Sorry hoor, zei ik nogmaals, ik dacht écht dat jullie….”, en vertelde haar iets over ritme en vanzelfsprekenheid.
De buurvrouw schudde zachtjes haar hoofd.
“Nee er zit geen ritme in, hoor, glimlachtte ze, de ene keer komen we iets eerder thuis dan de ander keer”.
En meer gebiedend: “Dus zet ‘m er maar niet meer neer,voortaan”
Ik zuchtte en stak de sleutel in de voordeur.
” Nee, dat dóe ik écht niet meer, hoor, belóófd!”,riep ik.
Eenmaal binnen plofte ik op de bank.
Daar gíng m’n avond! Stómme rolluiken én stómme parkeerplaatsen.
Ik had ineens geen zin meer in maskertjes en andere verwennerijen en besloot een lekkere kop thee te zetten.
Om dit voorval te verwerken en om goed tot me door te laten dringen dat mijn bonus- parkeerplaats vanaf
nu écht verleden tijd was.
Voorgoed.

Geplaatst in column

Tweehonderd Tompoucen

tompuceblog

Ik werk in een bakkerij van een supermarkt en hou van het Koningshuis.
Wat heeft dat nou met elkaar te maken?, hoor ik je denken. Nou, héél veel.
Zóveel, dat deze twee ogenschijnlijk héél verschillende feiten mij en mijn bedrijfsleider jaren terug een slapeloze nacht hebben bezorgd.
En dat voorval komt telkens weer akelig bovendrijven als er een Koningsdag in aantocht is.
Ik zal je vertellen hoe dat kwam.

Zoals gezegd: ik werk dus in een bakkerij, waar ik samen met mijn collega’s zorg voor de aanvoer van brood.
En als ik zeg: ‘ brood ‘, dan bedoel ik dat in al z’n volheid.
Van krentebrood, suikerbrood, mueslibrood, saucijzenbroodjes tot weet – ik – niet – wat voor brood.
Maar ook gebak. Véél gebak.
Die producten komen niet vanzelf binnen, maar moeten uiteraard besteld worden.
Bij grote partijen is het voor het distributiekantoor makkelijker als de voorraad die je wil hebben een paar weken
van te voren word ingetekend.
Zo ook die bewuste dag toen ik naar het bestelkantoortje liep om mijn bestellingen te plaatsen.
Het was een week voor Koningsdag en op de folder zag ik een grote afbeelding van oranje tompoucen.
Je zou zeggen dat mijn Koningsgezinde hart een sprongetje maakte, maar in plaats daarvan keek ik wazig naar mijn computerscherm.
Oranje tompoucen?? Die was ik nog niet eerder tegengekomen in mijn computer en dat betekende maar één ding: Ze waren niet ingetekend!
Snel zocht ik naar de levering-status van de oranje tompoucen voor onze winkel en daar werd mijn vermoeden bevestigd.
Boven het bestelschema stond : ‘ De voorraad die u heeft besteld = 0 ‘
Nul, noppes, nada!
Ik voelde m’n wenkbrauwen fronsen. Hoe kón dat nóu?
Een paar weken terug was ik bij de intekening helemaal geen oranje tompoucen tegen gekomen!
Inmiddels voelde ik mijn wangen steeds warmer worden, maar besloot rustig te blijven.
Gelukkig had ik deze stommiteit anderhalve week voordat Koningsdag begon ontdekt.
Dus was er, hoe dan ook, vast nog wel een mogelijkheid om de oranje tompoucen alsnog te bestellen.
Op kantoor lichte ik met kleine paniek in mijn stem de bedrijfsleider in.
“Mmm…mompelde hij, ik zal eens kijken wat ik nog kan doen…je hoort nog! ”
Al zuchtend liep ik uit zijn kantoortjes en bad zachtjes : “Help Heer, voor U is niks onmogelijk.. schrijft U alsjeblieft in dat vakje van
die tompoucen alsnóg tweehonderd…”

Halverweg de ochtend kwam m’n bedrijfsleider naar me toe.
Zijn gezicht stond niet hoopvol en ik vreesde het ergste.
“Ik heb goed nieuws en slecht nieuws..”, zei hij met een zware stem.
” Het goede nieuws is: we kunnen nog wel 200 tompoucen krijgen…”
En meteen daarachteraan: ” …maar het slechte nieuws…ze zijn dan wel róze! ”
Hij stak zijn beide armen in zijn zij, zuchtte eens diep en keek me zwijgend aan.
“Dus….”,onderbrak hij toen de stilte.
Ik keek hem vol ongeloof aan en fronstte mijn wenkbrauwen.
Hoezó wél róze? Hoe moeilijk kon het zijn om van dat roze glazuurtje oranje te maken?
Een kleuter zou nog wel weten dat hij er een likje geel door moest mengen.
Wilde dan niemand in die tompoucenfabriek de moeite nemen om een bekertje gele vloeistof door het roze glazuur
heen te gooien?
Ik voelde mijn gezicht betrekken en trok m’n schouders op.
“We hebben geen keus,zei ik, we móeten die tompoucen hebben…maar eigenlijk kunnen we het tóch niet máken roze tompoucen
op Koningsdag! ”
M’n bedrijfsleider knikte. “Het enige wat we kunnen doen is het creatief oplossen, zei hij, ik ga met je meedenken…”
Ik wilde me het liefst in een grot verstoppen en er pas ná Koningsdag weer uitkomen.
Want deze misere was uiteindelijk allemaal mijn schuld!
In gedachten zag ik al de vreemde blikken en vraagtekens in de ogen van klanten.
Die volledig in de war waren bij de aanblik van zoveel roze in de toonbank. Notabene in een Oranje week !

Die nacht kon ik niet slapen.
Ineens vond ik Koningsdag niet meer zo leuk.
En alhoewel ik er altijd naar uitkeek en zo genoot van die Hollandse kneuterigheid, vond ik het nu ineens héél stom; al dat oranje-gedoe.
Wie had dat eigenlijk ooit bedácht,dat je tompouce oránje moest zijn op Koningsdag?
Waarom mocht ‘tie niet gewoon róze blijven?
Dan hadden we nu geen probleem gehad!

De volgende dag ging ik met een steen in mijn maag naar m’n werk
Ik kan had geen oog dicht gedaan,maar mijn bedrijfsleider ook niet.
Die had de hele nacht zijn hersens gekraakt over een creatieve oplossing.
En,warempel, die had hij gevonden!
Terwijl ik in de kantine mijn schort aan trok, kwam hij naar me toe.
“Kijk ‘es wat ik heb, Aniet”, zei hij en hij wapperde met een wit A 4 -tje.
Hij sneed twee plakbandjes af en plaktte die aan het papier.
“Die hangen we er gewoon bij vandaag! ”
Ik pakte het papier aan en met grote vetgedrukte letters stond er:

“Er is vannacht iets mysterieus gebeurd
Al onze oranje tompoucen zijn plots roze gekleurd
Hopelijk ben u in uw hart zo oranjegezind
dat u dat roze kleurtje ook prima vind’
Wij wensen u een fijne Koningsdag
en hopen dat de tompouce u smaken mag!’

“Nouja! Dit is geniaal! ” , gilde ik, je bent géwéldig!’
Ik haaste me opgelucht naar de afdeling en nadat ik alle tompoucen had gevuld, hing ik het papier duidelijk
zichtbaar voor mijn toonbank.
Die dag heb ik alleen maar glimlachende klanten voorbij zien komen.
Er was die ochtend geén één klant die een probleem maakte van dat roze.
Aan het eind van de ochtend was de hele toonbank leeg en sloten we de winkel af.
Alle tompoucen waren op! Wat was ik blij en opgelucht.
Dankbaar reed ik naar huis.
Ik voelde een glimlach op mijn gezicht ,toen ik langs oranje-versierde straten en wapperende rood-wit-blauwe-vlaggen reed.
En ik genoot van al die franje. Of het nou roze was of oránje.

Geplaatst in Geen categorie

Kibbeling

l_kibbeling-vrijstaand_000
Soms ontmoet je onverwachts mensen met een speciale gave.
En dan heb ik het niet over mensen die uitzonderlijke prestaties leveren in de sport, in de muziek of
in het bedrijfsleven.
Nee, dan heb ik het over mensen die op het eerste gezicht ‘ talent-loos’ lijken.
Maar bij wie dat talent op de juiste tijd en plaats, héél goed uitkomt.
Het zogenaamde ‘ik gebruik jou voor mijn gemak -talent’.

Zoals laatst toen ik op een donderdagmiddag gezellig met m’n schoonmoeder naar het winkelcentrum ging.
Er was die week een nieuwe groentenzaak geopend, die ik eerder die week had ontdekt.
Eenmaal binnen waande ik me in een heus paradijs.
Dit lang leegstaande pand was in korte tijd omgetoverd tot een prachtige zaak vol met verse groenten en heerlijk fruit.
Maar ook met noten en zaden, zelfgemaakte soepen, salades én zelfs chocola !
Prachtige uitgestald in ruime schappen met proefbakjes voor de liefhebbers.
Zodra je het winkelcentrum binnen stapte rook je van een afstand al de heerlijke geur van zoete sinaasappels en
vers gesneden ananas.
Oók ík werd dus als een magneet naar binnen getrokken om er vervolgens na een kwartier weer uit te komen met een tas
vól vitamine C.
Het moge duidelijk zijn,ik was fan! En vond deze nieuwe groenteboer een enorme aanwinst voor het dorp.
Dat moest m’n schoonmoeder, die bij mij in het dorp woont, óók weten ,vond ik.
Dus besloot ik met haar af te spreken.
Om nog eens te gaan. Naar die groentezaak, maar dan met háar.
Dus togen wij, die dondermiddag samen gezellig naar het winkelcentrum.
We bezochten de groentenboer, de drogist, de supermarkt, dronken heerlijk warme chocolademelk met slagroom en vermaakten
ons die middag uitstekend.
Tot ik aan mijn schoonmoeders’ gezicht zag dat zij een beetje moe begon te worden.
“Zullen we zo maar eens naar huis gaan ? , stelde ik voor.
Ze knikte. ” Ja ik ben nu ook wel een beetje moe nu..zei ze . En ik begreep dat.
Als bijna 80-jarige had ik haar bijna een halve marathon laten lopen door het winkelcentrum en nu verlangde mijn schoonmoeder weer
heerlijk naar haar eigen relax fauteuil bij de verwarming.
“Vind u het goed als we, voor we naar de auto gaan, nog even langs de viskraam lopen? “, vroeg ik, dan neem ik een visje mee voor vanavond”
Ze keek me dromerig aan. “Wat zeg je?” ,vroeg ze.Toen wist ik dat ze écht moe was.
“Weet u wat? , zei ik en ik pakte haar bij haar schouder. “Als u hier nu even wacht…”
Ik wees op het bankje, wat zo’n twee meter bij ons vandaan stond.
“Dan ren ik even snel heen en weer naar de viskraam…ik ben zo terug…kunt u even lekker zitten…”
Ze kniktte opgelucht. We liepen samen naar het bankje, waar nog twee bejaarde dames zaten.
Als die iets verder naar elkaar toe kropen was er precies nog een gaatje voor m’n schoonmoeder.
Ietwat schalks keken de dames ons aan.
“Mijn schoonmoeder past er vast nog wel bij ,tóch? “, vroeg ik.
De dames zeiden niet veel ,maar gaven mij een zuinig bevestigend knikje en schoven een stukje opzij.
Met een vriendelijk ‘Goedemiddag’ ging m’n schoonmoeder zitten.
“Dan ben ik even snel naar de viskraam, hoor”, zei ik . M’n schoonmoeder glimlachtte.
“Doe maar lekker op je gemak, zei ze, ik zit hier prima!”, en ze leunde ontspannen achterover.
En toen kwam het moment.
Terwijl ik weg wilde lopen voelde ik ineens dat er aan m’n mouw werd getrokken.
Het was één van de dames van het bankje. “Ga je naar de viskraam? “, vroeg ze kort.
Ik knikte. “Ja klopt!”antwoorde ik.
“Wacht even!”, gebood ze toen. Ze graaide in haar jaszak en haalde er in één beweging een hand muntgeld uit.
“Eén bakje kibbeling alsjeblieft, ’t is precies tweeeurovijftig….als je tóch gaat!”
Uit haar hand liet ze tientallen muntjes in mijn hand vallen. Ik had geen keus.
“Oké…komt goed, zei ik en liep richting viskraam. Onderweg gooide ik al het kleingeld in m’n portemonnee.
Bij de viskraam zou ik wel pinnen.

‘Wat zal het wezen?’ vroeg het meisje van de viskraam verveeld.
‘Drie porties kibbeling,’ zei ik
Het meisje graaide de gepaneerde stukken vis uit de toonbank en wierp ze in het vet.
“Kunt u er één apart inpakken? ‘,vroeg ik. Het meisje knikte.
“Ja… die is voor m’n moeder…,loog ik, da’s niet handig dan zo bij elkaar, hé? ”
Ik wist ook niet waarom ik dat zei en waarom ik me van mezelf zo moest verontschuldigen en m’n móeders naam misbruikte.
De visvrouw moest eens weten dat mijn moeder vijfendertig kilometer verderop, gewoon samen met mijn vader,
aan een gehaktbal met sperziebonen zat en dat die kibbeling gewoon voor een wildvreemde was!
Na vijf minuten kreeg ik de drie porties in vetvrij papier verpakt aangereikt.Verdeeld in twee aparte plastic zakjes.
En ik liep weer terug van de markt naar het winkelcentrum.

“”Hier ben ik weer ,hoor!”
Enthousiast zwaaide ik met mijn zakjes kibbeling naar mijn schoonmoeder en gaf één portie kibbeling aan de mevrouw naast haar.
Ik kreeg een kort ‘dankjewel ‘.
M’n schoonmoeder stond, inmiddels uitgerust,weer op.
“Dan gaan we lekker naar de auto”,zei ze en groette de twee gedag.
Door het winkelcentrum liepen we gearmd naar de parkeerplaats.
“Was het nog een beetje gezellig op het bankje?”, vroeg ik, terwijl we het winkelcentrum uitliepen.
Mijn schoonmoeder haalde haar schouders op.
“Ze vonden het té lang duren….zei ze.
Ik fronstte m’n wenkbrauwen. ” Té láng? “reageerde ik verbaasd.
Ze begon te grinneken.
“Ja, ik zei al, er staat altijd een flinke rij voor die kraam…..ze kan niet vliegen..anders had ú zélf…”
“Nóu….mopperde ik beledigd en trok een quasi boos gezicht.
“Als ik er niet was geweest ,dan….dan….”
…..had ze áchter het net gevist!”,vulde m’n schoonmoeder gevat aan.
“Precies”, giechelde ik
Als twee lachende pubers stapten we in de auto.

Geplaatst in Geen categorie

KRUIMELDIEF

broodkruimels-973x646Vroeger dacht ik als kind bij het gebod ‘Gij zult niet stelen.’ al snel aan topcriminelen, plunderaars en ‘grote graaiers’ bij de banken.
Bij het groeien naar het volle wasdom weet ik inmiddels dat dieven er niet uitzien zoals de Zware Jongens in Donald Duck.
En dat niet elke dief een stoppelbaardje draagt en een zwarte zonnebril. Integendeel!
Nee, helaas ben ik er achter gekomen dat er onder een boef, schurk of crimineel vaak een schattige verschijning schuil gaat.
Wat er voor zorgt dat je zelf, eerder dan je denkt, ongewild slachtoffer word van hun praktijken.
Oké, misschien ben ik een beetje naief of te goed van vertrouwen. Dat geef ik meteen toe.
Maar om daar nou meteen misbruik van te maken!

In de bakkerij, waar ik werk word brood gesneden. Stapels brood!
Om je een idee te geven: op een doordeweekse dag gaan er zo’n vijhonderd broden door twee snijmachines heen.
Dat zorgt voor kruimels, enorm veel kruimels.
En al die kruimels vallen tijdens het snijden in een grote bak die onder de machines is gemonteerd.
Hartstikke handig bedacht, anders zou je de hele dag maar kruimels blijven vegen.
Aan het eind van de dag kiep je de bak leeg boven een vuilnisbak en wég zijn de kruimels.
Zónde eigenlijk, want van al die kruimels zou je zo weer twee broden kunnen bakken, zóveel zijn het er.
Maar ik zag het gewoon als afval. Onbruikbaar. Hupsakee, wég, ik schonk er geen aandacht aan.
Maar Gerrit wel. Hij vond dat zonde.Gerrit was een klant.
Een gezellige grijze meneer met bierbuik en een veel te hoog opgehesen broek met bretels.
Die ooit een halfje bruin kwam kopen en toen tot zijn verbijstering zag dat de kruimels in de vuilnisbak belandde.
“Gooien jullie dat allemaal wég? “, vroeg hij destijds geschokt en noemde het verspilling.
“Ik heb fazanten en ganzen achter op mijn erf lopen, vertelde hij en vroeg of we die zak met kruimels niet voor hem konden bewaren?
Collega en ik hadden heftig geknikt en “Natuurlijk! “geroepen. En sinds die tijd bewaarde we de kruimels voor Gerrit.
Tussen het verpakkingsmateriaal stond elke week een grote vuilniszak vol kruimels op Gerrit te wachten.
Tot die ene dag.

Ik was nietsvermoedend bezig wat eierkoeken bij te vullen toen ze ineens voor me stonden: Twee politieagenten.
“Goedemiddag dame”, groette de twee, we zijn zojuist gebeld door uw werkgever voor winkeldiefstal. Kunt u ons de weg naar het kantoor wijzen? ”
Ik knikkte geschrokken en liep voor de twee mannen uit naar het kantoor.
“Kijk eens mannen, hier is het….,wees ik en wilde weglopen, maar mijn nieuwsgierigheid won het van mijn beschaving.
Ik ging op mijn tenen staan en kon nog nét door het raampje naar binnen kijken wie de dader was.
Ik verwachte een puisterige puber , die zich in zijn pauze een frikandelbroodje had toegeigend.
Maar tot mijn verbijstering zag ik vanuit mijn ooghoek dat Gerrit op het kantoortje zat.
Zjn hoofd gebogen tussen zijn benen geklemd. De vuilniszak voor hem op de grond.
Ik stond perplex. Gerrit? Dat kon toch niet. Verdwaasd liep ik terug naar de afdeling.
“Je raad nooit wie er op het kantoortje zit, fluisterde ik naar m’n collega. Ze haalde haar schouders op.
‘Je gelooft het niet!”, zei ik zachtjes,Gerrit !!, die man van die kruimels!
Hij zit erbij als een klein kind. Alsof hij net is betrapt door z’n moeder op het stelen van een snoepje .”
Ik zag mijn collega ongeloofwaardig haar hoofd schudden. “Dat meen je niet! ”
Het duurde misschien een kwartier en toen kwamen de politieagenten weer naar buiten. Met Gerrit tussen hen in.
Het leek of ik droomde toen ik het slachtoffer beschaamd ons pand zag verlaten.
Dat was ook meteen de laatste keer dat ik Gerrit heb gezien. Hij kreeg een winkelverbod. Omdat hij had gestolen.
Ik had gehoopt dat hij per ongeluk vergeten was een chocoladereep of een rol drop af te rekenen.
Maar nee, de héle vuilniszak zat vól. Tussen alle kruimels had hij een hele week boodschappen verstopt.
Die gekke slimme Gerrit had gewoon mijn kruimelzak gebruikt als een soort van grabbelton. Voor thuis dan.
En thuis had hij ( ik veronderstel namelijk dat dit niet de eerste keer was) triomfantelijk de buit uit de vuilniszak gegrabbeld.
Met een grote dankbare glimlach om z’n mond.
Omdat niemand door had dat die kruimels helemaal niet voor zijn fazanten of ganzen waren.
Of misschien ook wél, maar méér voor Gerrit zélf.
Die het slachtoffer handig gebruikte als afleidingmanoevre en waar waar wij, als winkelpersoneel massaal intraptte.
Omdat Gerrit zo’n sociale gezellige aardige bejaarde man leek. Die goed was voor zijn dieren.
Ik was boos en beledigd. Gerrit had mijn vertrouwen beschaamd.
Maar ik was ook verward. Want ik dacht enige mensenkennis te bezitten. Niet dus.
Toch besloot ik mijn vertouwen in de mensheid niet op te geven.
Het idee dat ik iedereen bijvoorbaat moest wantrouwen voelde helemaal niet goed.
Dat was dit voorval niet waard.
Dus tot de dag van vandaag, pak ik nog steeds een zakje kruimels uit de la.
Als er een mevrouw vraagt of ze wat kruimels mag omdat ze met haar kleuter eendjes wil gaan voeren.
Want aan zo’n plezierig tafereeltje wil ik graag mijn bijdrage leveren.
Maar ik ben alert. Feit blijft nu eenmaal dat niet alles is wat het lijkt. Helaas, dat is nu eenmaal zo.
En Gerrit?
Ach, ik hoop dat hij spijt heeft gekregen. En dat het bij de ene keer is gebleven.
We maken tenslotte allemaal fouten.
Ik heb het hem inmiddels vergeven.